dinsdag 1 november 2011

Een halloween avond



“James!! Ben je al verkleed?” riep zijn grote broer Mark. James kwam naar beneden in zijn Frankenstein- kostuum. “Laten we gaan, Dracula”, zei hij tegen Mark.

De deurbel ging. “Dat is waarschijnlijk Alice", zei mark terwijl hij de deur opende. Het was inderdaad Alice. “Je ziet er mooi uit”, zei James toen hij naar haar keek “Je bent de mooiste heks die ik ooit heb gezien.” Hij bloosde. Alice glimlachte. “Dank je, James, jij ziet er ook niet slecht uit als monster van Frankenstein.” Ze giechelde en pakte James' hand. “Laten we gaan”, zei ze, “Thomas wacht op ons op de hoek. Ze pakte hun Halloween-tassen, zwart met een pompoen erop, en gingen naar buiten.

Thomas wachtte op de hoek. “Hebben jullie er zin in?” vroeg hij blij. Mark glimlachte. Hij vond het altijd leuk om dingen te doen met zijn jongere broer en zijn vrienden.

“Snoep of je leven!” riepen ze toen de deur openging. “Oh, James. Een perfect monster,” zei de vrouw terwijl ze in zijn wang kneep. “En Alice, zo’n mooie heks. En je hebt zelfs je haar geverfd.” De vrouw, mevrouw Hutson, glimlachte vriendelijk. “En Mark, de make-up staat je echt goed. Al moet ik zeggen dat je wel een beetje witjes ziet.” Ze giechelde even: “En je haar ziet er zo leuk uit. Ik weet zeker dat je veel gel hebt gebruikt.” Even raakte ze zijn haar aan voordat haar aandacht naar Thomas ging. “En Thomas, oh Thomas, een echte zombie, je ziet er geweldig uit.” De kinderen vonden het allemaal gezeur, maar wisten ook wel dat dit de enige manier was om veel snoep te krijgen. “Ah, zou ik het toch bijna vergeten', zuchtte mevrouw Hutson. “snoep.” Ze pakte een bak vol met chocola, lollies, kauwgum en nog veel meer. “Dank u mevrouw', Zeiden de kinderen in koor en liepen door naar het volgende huis.

“Zullen we naar Jim gaan of durven jullie naar de enge man van 28?” vroeg James een half uur en verschillende huizen later. Hij voelde zich dapper. Thomas hoefde niet zo nodig, maar nadat Mark hem had verzekerd dat hij achter hem mocht schuilen, stemde Thomas er toch mee in. Alice drukte op de deurbel en ze wachtte. Een man in een simpel zwart pak deed de deur open. “Ah, hallo”, zei hij verbaasd. Zijn zwarte gekrulde haar bewoog zachtjes in de wind. Zijn glimlach had iets spannends, slechts misschien zelfs. Hij gaf ze alle vier een verschillend boek en zei: “Neem het.. lees het… geloof me... in dit dorp... kan een boek… veiliger zijn dan snoep'. Hij lachte alsof er een leuke herinnering boven kwam en deed de deur dicht. “Dat was best raar”, zei Alice na ongeveer tien seconden. Ze gingen weer verder.

Wat huizen en veel snoep later keek James eens rustig rond. “Dat is raar”, zei hij, “ik dacht dat nummer 2 verlaten was. Nu is er decoratie en er brandt licht.” Ze keken allemaal naar het huis. “Laten we gaan kijken”, zei Alice, “wie er ook is, die heeft vast snoep.” Ze liepen naar het huis en James wilde aanbellen. Er was geen bel. Hij klopte vier keer op de deur. Er was geen reactie. Hij probeerde de deur en die zwaaide open. Ze keken naar binnen. Er was bijna geen licht binnen. Een enge maar toch vriendelijke stem klonk vanuit de keuken. “Ik ben er zo met het snoep. Kom vooral binnen.” James, Alice en Thomas gingen snel naar binnen en Mark volgde na wat twijfel. Er was een knal en ze draaiden zich om. De deur was dichtgegaan. Mark rende naar de deur en probeerde hem open te maken. De deur was in het slot gevallen. Mark lachte een beetje zenuwachtig. “Hij is vast een Halloween-grap aan het uithalen. ik denk dat zijn stem uit de keuken kwam.” Ze liepen naar de keuken. Er was niemand. Op de tafel stond een luidspreker. Een blauwe, houten deur stond op een kier. James deed de blauwe deur open en op hetzelfde moment ging de deur waar ze doorheen waren gekomen dicht. Er was een klik-geluid van de deur die op slot ging. Een voor een gingen ze door de blauwe deur. Voordat Thomas, die laatste was, door de deuropening kon gaan sloeg de deur dicht. Hij schreeuwde: “Laat me gaan!!” Na ongeveer tien seconden werd hij opeens stil. “Thomas!” riep Mark ongerust. “Gaat het?” In plaats van Thomas' stem klonk dezelfde stem als eerst: “Het gaat goed met hem, kinderen. Maak je geen zorgen.” Wat de man ook zei Mark kon het niet laten om zich toch zorgen te maken. “We moeten dicht bij elkaar blijven”, fluisterde hij tegen Alice en James, die hand in hand stonden. Mark ging met zijn hand over zijn haar. “Misschien weet Thomas ervan?” vroeg Alice aan niemand in het bijzonder. “Je weet dat zijn broer van grappen houdt.” Opnieuw ging Mark met zijn hand over zijn haar en hij zuchtte. “Ik weet het niet.” Het voelde niet goed. “Ik denk dat we een weg naar buiten moeten vinden", zei hij en hij keek goed naar de enige andere deur. Hij deed hem open en liet James en Alice erdoor. Snel volgde hij hen. Ze stonden in een halletje met verschillende deuren. “Welke nemen we?” vroeg James. Mark dacht even na en wees toen naar de nieuwste deur. Hij deed hem voorzichtig open. Voordat iemand kon reageren kwam er een hand uit de opening die Mark vastgreep. Hij gilde. De hand sleepte hem de kamer in en de deur ging achter hen dicht. Mark bleef schreeuwen. Het geschreeuw hield ongeveer een minuut aan en toen, na een harde wanhopige schreeuw, was het stil. Tranen stroomde langs James' gezicht. “Mark”, fluisterde hij. Alice hield haar hoofd tegen het zijne en raakte zijn haar aan. “Misschien is het een grap", zei ze zonder het zelf te geloven. Hij reageerde niet. Ze nam zijn hand in de hare, tranen liepen ook langs haar gezicht, en ging naar een deur. Opeens ging een andere deur open. Een man stond in de opening. Zijn gezichtsuitdrukking was puur slecht. Zijn snor liep over in een soort baard die bestond uit twee strookjes haar die over zijn kin naar beneden liepen. Hij droeg een simpel zwart pak en een wit shirt eronder. Hij had een blauwe stropdas om. “Loop niet weg. Je maakt het dan alleen maar erger", zei hij met een glimlach op zijn gezicht. Die was alles behalve vriendelijk. Hij had een bebloed mes in zijn hand. “Laat ons met rust”, zei Alice met zelfverzekerdheid in haar stem. Hij lachte en liep naar Alice. Ze probeerde weg te rennen of te vechten, maar hij was te sterk. Hij leek niet eens te merken dat James hem probeerde te slaan. De man ging met het mes langs haar keel. Bloed stroomde eruit. Het kleurde haar kleren rood. De man sleepte haar naar een andere kamer. James volgde hem. Het kon hem allemaal niks meer schelen. Daar lagen, naast elkaar, Mark en Thomas. De man legde Alice ernaast en keek naar James. Hij pakte een spuit. “Waarom?” fluisterde James, zonder het antwoord te willen horen. De man stak de spuit in James' nek en alles werd zwart voor zijn ogen.

1 opmerking: